kazematten | van kazematten voorzien

wordt voornamelijk uitgeoefend op regenachtige zondagmiddagen en probeert lost feelings en afweermechanismen in kaart te brengen

Kazemat 2

1. Na drie dagen kwam hij op een driesprong en moest een beslissing nemen. Zonder te stoppen sloeg hij rechts af. In de verte zag hij de skyline van een stad en wat dichterbij een verlaten industrieterrein waar hij recht op af liep. Hij had geen idee welke stad hij zag, al zou hij daar makkelijk achter kunnen komen als hij stil zou staan bij zijn situatie. (Wat was er bijvoorbeeld gebeurd wanneer hij naar links was gegaan op de driesprong? Of gelijk bij zijn voordeur al een andere kant op was gerend?) Zijn eten bestond voornamelijk uit droogvoer, aangevuld met water dat hij onderweg uit natuurlijke bronnen putte. Als er leidingwater was geweest had hij dat uiteraard liever gedronken. Hij moest er niet aan denken ziek te worden. Hij rende nu recht op de openstaande hekken van het industrieterrein af en hoopte maar dat het inderdaad verlaten was. Toen hij omringd was door fabriekshallen, met links voor hem een kleiner gebouw, stopte hij. Hij ging zitten en at, ondertussen zijn omgeving in zich opnemend. Toen hij genoeg gegeten had stond hij op en rende weer door, het industrieterrein achter zich latend. De stad liet hij links liggen.

2. Hij groef kuilen waarin hij zijn afval verborg. Door de begroeiing zou niemand het ontdekken. De omgeving beviel hem wel: niets wees er op dat het land gebruikt werd. Toen hij eenmaal ingericht was en alles op zijn plaats stond had hij geen behoefte meer aan buitenlucht. Binnen had hij boeken, tijdschriften, een laptop met twee volle batterypacks en zijn portable cd-speler. Zijn gloednieuwe zaklamp hing aan het plafond en hij had schone kleren en eten genoeg in zijn auto om op zijn minst een maand mee door te komen. De auto zelf stond verdekt opgesteld. Niemand zou hem vinden. Als het te koud werd waren er extra dekens. Af en toe keek hij door het schootsgat naar de lucht. Wat tegenviel was de ruimte. Het was kleiner dan hij gedacht had. Het duurde even voor hij er aan gewend was dat hij niet rechtop kon staan. Hij maakte het zichzelf gemakkelijk en viel in slaap.

3. Iemand had het verband te strak en bovendien scheef om zijn hoofd gedaan zodat hij nauwelijks wat hoorde en zijn linkeroog bedekt was. Zijn armen kon hij niet bewegen. De ziekenhuisradio stond aan en zijn hoofdpijn werd erger toen hij zich probeerde te concentreren op wat gezegd werd. Het klonk als de stem van een priester. Hij luisterde: "...en zolang het licht is ben ik ziek en onrustig. Mijn lichaam is bedekt met vuil en wormen, van top tot teen besta ik uit etter en kloven. Mijn dagen gaan sneller voorbij dan je voor mogelijk houdt, ze lopen in rap tempo af. Mijn leven is niet meer dan een zucht, ik zal geen geluk meer zien en wie mij zoekt ziet mij niet meer; zelfs Gods oog kan mij niet vinden. Een wolk verdwijnt en is weg; geen mens komt terug uit de afgrond. Ik keer niet terug naar mijn huis, nooit meer. Daarom kan ik mijn mond niet houden, moet ik mijn verdriet en mijn ergernis uitschreeuwen." Naast het bed zat een man, het hoofd een beetje scheef op zijn schouder gezakt. Hij sliep. Van het plafond begon de verf af te bladderen. Hij vroeg zich af wat er misgegaan was en voelde tranen opkomen die hij niet weg kon vegen.

4. Hij liep alle kamers door op zoek naar een teken van haar aanwezigheid. Uiteindelijk vond hij een aanwijzing in de volle vuilniszak die bij de keukendeur stond. In de douche kwam hij meer tekenen van leven tegen: nieuwe shampoo van een merk dat hij niet kende, een paar haren in het putje. Misschien moest hij het slot van de voordeur laten vervangen. Hij stapte onder de douche, schoor zich en stopte zijn vuile kleren in de wasmachine. De shampoo gooide hij in de lege vuilnisbak. Hij wachtte in de woonkamer tot het wasprogramma uitgedraaid was, duidelijk zichtbaar voor de buren, waar hij naar zwaaide. Als ze weer zou komen zouden ze haar vertellen dat ze hem gezien hadden.

5. Hij liep alle kamers door op zoek naar een teken van haar aanwezigheid. Uiteindelijk vond hij een aanwijzing in de volle vuilniszak die bij de keukendeur stond. In de douche kwam hij meer tekenen van leven tegen: nieuwe shampoo van een merk dat hij niet kende, een paar haren in het putje. Misschien moest hij het slot van de voordeur laten vervangen. Hij stapte onder de douche, schoor zich en stopte zijn vuile kleren in de wasmachine. De shampoo gooide hij in de lege vuilnisbak. Hij wachtte in de woonkamer tot het wasprogramma uitgedraaid was, duidelijk zichtbaar voor de buren, waar hij naar zwaaide. Als ze weer zou komen zouden ze haar vertellen dat ze hem gezien hadden.

5. Hij was jarig. Op weg naar zijn werk stopte hij bij een café voor een glas jenever. Hij praatte even met de waard, die hem feliciteerde. Toen hij bijna bij zijn werk was stopte hij de auto en belde zijn baas dat hij ziek was. Zijn baas vroeg wanneer hij weer zou komen en hij antwoordde dat hij het niet wist. Hij hing op, maakte een U-bocht en reed weer richting huis. Hij stopte bij het benzinestation waar hij altijd tankte en kocht een krant, twee pakjes sigaretten, een kop koffie en een broodje dat hij staande op at. Naast hem stond een trucker. De eigenaar groette hem vriendelijk toen hij weer naar zijn auto liep. Thuis deed hij de gordijnen dicht, trok de telefoon uit het stopcontact en schonk zichzelf een borrel in. De krant bleef onaangeroerd op tafel liggen. Terwijl hij dronk luisterde hij onder de koptelefoon naar zijn lievelings-cd die op repeat all stond. Toen de fles leeg was stond hij op en liep naar de slaapkamer waar hij op bed ging liggen. Hij viel in een droomloze slaap. Weer wakker had hij dorst. Hij dronk uit de kraan en waste zijn gezicht met koud water. Hij trok zijn kleren uit en deed zijn ochtendjas aan. In de woonkamer zette hij een andere cd op, opende een nieuwe fles en toastte met zijn spiegelbeeld. Langzaam voelde hij zich gelukkig worden. Pas toen het buiten donker was stopte hij met drinken, deed het licht aan en las de krant. Daarna kookte hij voor zichzelf en ging tv kijken. Om elf uur viel hij in zijn stoel in slaap. De tv schakelde zichzelf om precies twaalf uur automatisch uit.

6. Het bos was donker. Hij liep door de regen en voelde de aarde zacht worden onder zijn voeten. Hij was al een paar keer gevallen en voelde de modder op zijn gezicht. De batterijen van zijn zaklamp waren aan vervanging toe en af en toe was het schijnsel zo zwak dat hij niets meer kon zien. Er was geen maan. Aan het einde van het pad stond hij stil en scheen omhoog naar de bomen. Aan een tak hing een stuk stof. Hij sloeg linksaf en liep door tot hij niet meer kon. Toen ging hij zitten en wachtte.